Vaccins

Een vaccin is een geneesmiddel dat wordt toegediend om een afweerreactie op te wekken tegen een ziekteverwekker. Met deze afweerreactie is het lichaam beter en sneller in staat de ziekteverwekker te bestrijden. Dit is belangrijk voor ziektes die een ernstig of zelfs dodelijk verloop hebben en zich makkelijk verspreiden tussen dieren of tussen mensen en dieren.

Er zijn 2 typen vaccins; vaccins met een gedode ziekteverwekker (of delen hiervan) en vaccins met een levende maar verzwakte ziekteverwekker. Bij een levend verzwakt virus reageert het lichaam sneller en beter dan bij een dood vaccin, daarom worden nog maar weinig dode vaccins gebruikt. Er bestaan vaccins tegen bacteriën, virussen en schimmels. De meeste vaccins worden door middel van een injectie onder de huid gegeven, maar er zijn ook vaccins die in de neus worden gedruppeld.

Na toediening van een vaccin reageert het lichaam met het maken van antistoffen. Wanneer een verzwakt levend vaccin word gebruikt maakt het lichaam tevens een soort geheugencellen aan. Als nu de echte ziekteverwekker het lichaam binnendringt ligt er al een afweerreactie klaar en kan het lichaam dus snel in actie komen. Het eerste doel van een vaccinatie is om te voorkomen dat het dier ziek wordt, zoals bijvoorbeeld bij katten- en hondenziekte. Het tweede doel is om ervoor te zorgen dat als een dier toch ziek wordt de verschijnselen milder zijn en sneller verdwijnen, zoals bijvoorbeeld bij niesziekte bij de kat of kennelhoest bij de hond. Het derde doel is om te voorkomen dat het dier de ziekteverwekker gaat verspreiden, zodat de populatie (dieren én mensen) als geheel beschermd kan worden. Dit laatste is belangrijk bij bijvoorbeeld hondsdolheid (rabiës). Als een dier meereist naar het buitenland is een rabiësvaccinatie verplicht. De eisen verschillen per land, dus neem bij reisplannen altijd ruim voor vertrek contact op met uw dierenarts!

Zoals elk geneesmiddel kunnen ook vaccins bijwerkingen hebben. Deze zijn echter uiterst zeldzaam, zeker in verhouding tot het wijdverspreide gebruik ervan. De meest voorkomende bijwerkingen zijn lusteloosheid, gebrek aan eetlust en pijn op de injectieplaats. Deze vallen vaak nauwelijks op. Heftigere bijwerkingen zijn braken, diarree, kreupelheid, koorts en symptomen van een luchtweginfectie of zwelling op de injectieplaats. Vooral jonge dieren zijn hier gevoelig voor, bij volwassen dieren worden deze minder gezien. Neem in dat geval contact op met uw dierenarts.

Soms wordt juist een gebrek aan werking vastgesteld, bijvoorbeeld na een rabiësvaccinatie. Dit kan aan het vaccin zelf liggen, maar ook aan het dier. Als het dier voor de vaccinatie een ziekte heeft opgelopen of als het afweersysteem van het dier niet goed meer werkt zal het dier geen goede afweerreactie kunnen opbouwen. Daarom is het belangrijk dat een dier altijd eerst wordt gecontroleerd door de dierenarts, voordat een vaccinatie wordt gegeven.

Bij katten is er nog een extra (zeldzame) bijwerking mogelijk. Soms krijgt een kat een klein bultje op de plek van de vaccinatie. Dit ontstaat door een plaatselijke ontsteking als reactie op de vaccinatie. Meestal verdwijnt dit bultje binnen 3-4 weken vanzelf. Als dit niet gebeurt kan het bultje zich verder ontwikkelen tot een fibrosarcoom. Dit is een tumor onder de huid, die voornamelijk schade kan aanrichten door zijn grootte en het binnendringen van omliggend weefsel. Deze bijwerking wordt toegeschreven aan een bepaald type adjuvans. Een adjuvans is de dragerstof van het vaccin, die de afweer een extra stimulans geeft. Dit type adjuvans wordt vooral gebruikt in de vaccins tegen FeLV (leukemie) en rabiës.

Meer informatie vind u hier op onze website: