Suikerziekte

Na een voedzame maaltijd wordt glucose (‘bloedsuiker’) opgenomen door de darmen en verspreid door het lichaam. Glucose is een onmisbare brandstof voor het lichaam; cellen nemen dit op uit het bloed als ze energie nodig hebben. Sommige lichaamscellen (spier- en vetcellen) kunnen dit echter alleen als ze hiervoor worden aangezet door het hormoon insuline. Insuline wordt gemaakt door speciale cellen (bètacellen) in de alvleesklier (pancreas).

Suikerziekte is een aandoening die veel bij (oudere) honden voorkomt. Het betekent dat er teveel glucose in het bloed aanwezig is. Er bestaan verschillende types, net als bij mensen:

  1. Type 1: de alvleesklier maakt geen of te weinig insuline, waardoor een absoluut tekort aan insuline ontstaat. Deze vorm wordt vaak gezien bij volwassen en oudere honden.
  2. Type 2: de lichaamscellen reageren minder goed op insuline, waardoor een relatief tekort aan insuline ontstaat. Later gaat dit over in een absoluut tekort aan insuline, als de alvleesklier uitgeput raakt. Deze vorm komt niet voor bij honden.
  3. Type 3: deze vorm wordt veroorzaakt door medicijnen of door andere aandoeningen.
  4. Type 4: zwangerschapssuikerziekte. Deze vorm ontstaat onder invloed van hormonen. Anders dan bij mensen hoeft een hond daar niet drachtig voor te zijn.

Bij de hond wordt meestal type 1 suikerziekte gevonden. Dit kan bij sommige honden ontstaan doordat het eigen afweersysteem de bètacellen van de alvleesklier aanvalt. Daarna komt type 3 suikerziekte het meest voor. De medicijnen die dit kunnen veroorzaken zijn met name bepaalde ontstekingsremmers, die vaak worden ingezet bij allergie (prednison, dexamethason), maar ook medicijnen tegen de loopsheid geven een verhoogd risico op suikerziekte. Vaak wordt suikerziekte veroorzaakt door de ziekte van Cushing. Type 4 suikerziekte kan ontstaan bij teefjes die niet zijn gesteriliseerd, zo’n 9 tot 10 weken na de loopsheid. Deze vorm kan verdwijnen, maar zal bij elke loopsheid weer terugkeren en na enkele keren niet meer verdwijnen. Daarom is het belangrijk om in dit geval de hond zo snel mogelijk te steriliseren.

Verschijnselen

  • Veel drinken en veel plassen. De drinkbak moet vaker worden ververst of uw hond wilt continu drinken uit vijvers of regenplassen bij het uitlaten.
  • Toegenomen eetlust (in eerste instantie). Uw hond eet goed of meer dan anders. Sommige honden blijven bedelen.
  • Vermageren. Ondanks de goede eetlust wordt de hond steeds magerder.
  • Algehele malaise (later stadium). Uw hond wordt slomer en voelt zich ziek. De toegenomen eetlust kan veranderen in een afgenomen eetlust.
  • Braken. Uw hond gaat braken; soms zitten er wat haren in, maar vaker is het alleen wat voer of vocht.

Sommige honden laten minder duidelijke verschijnselen zien. Als u één van de verschijnselen opmerkt of u twijfelt, maak dan gerust een afspraak ter controle. Aangezien suikerziekte vooral bij honden boven de 8 jaar voorkomt, is het raadzaam om preventief het bloedsuikergehalte te laten onderzoeken.

Diagnose
Aan de hand van de ziekteverschijnselen en het lichamelijk onderzoek kan een vermoedelijke diagnose worden gesteld. Urineonderzoek kan het vermoeden versterken, maar alleen met bloedonderzoek kan de diagnose worden bevestigd. Dit urine- en bloedonderzoek vindt in onze kliniek plaats. Het is belangrijk dat de diagnose zo snel mogelijk wordt gesteld. Wanneer suikerziekte niet wordt behandeld kunnen complicaties ontstaan, zoals cataract (grauwe staar, een vertroebeling van de ooglens). Uiteindelijk zal een hond met suikerziekte die niet wordt behandeld overlijden aan uitdroging en algehele verzwakking.

Behandeling
Omdat er een tekort bestaat aan insuline moet dit met injecties onder de huid worden aangevuld, met Caninsulin ®. Dit moet tweemaal per dag op vaste tijstippen plaatsvinden, omdat het bij de hond maximaal 12 uur effect heeft. Caninsulin ® moet rechtop in de koelkast worden bewaard. Voor gebruik moet u het flesje enkele malen zwenken, nooit schudden. De dierenarts zal alle stappen van het injecteren met u doornemen; het lijkt eng, maar in de praktijk valt het erg mee. Sinds 2013 is er een nieuwe manier om uw hond insuline toe te dienen. De Vetpen ® is een insulinepen waarmee u op een gemakkelijke en veilige manier een vooraf ingestelde dosis Caninsulin ® kunt toedienen. U heeft geen injectiespuiten en losse flesjes Caninsulin ® meer nodig, want de Vetpen ® is altijd klaar voor gebruik.

 

De juiste dosering Caninsulin ® verschilt per hond. Daarom moet elke hond worden ingesteld. Op basis van het gewicht van de hond wordt een startdosering bepaald. Tijdens een controle wordt bepaald of deze dosering moet worden aangepast. Dit gebeurt aan de hand van het bloedsuikergehalte; 1 druppel bloed is hiervoor voldoende. Deze controle moet 7 uur nadat de insuline is gegeven plaatsvinden. Eventueel kan u worden aangeleerd om dit zelf te doen, waarna vervolgens telefonisch de dosering kan worden aangepast. In het begin zullen deze controles tweemaal per week moeten plaatsvinden. Wanneer het glucosegehalte stabiel is kunnen deze controles steeds verder worden uitgesteld, naar uiteindelijk één keer per maand. U merkt deze stabilisatie vaak al aan de hond zelf: hij zal minder gaan drinken en plassen en de hond zal weer levendiger worden.

Voeding speelt een belangrijke rol in de behandeling. Allereerst moet een hond gegeten hebben voordat hij Caninsulin ® mag krijgen. Dit houdt in dat u uw hond een half uur ná de maaltijd pas Caninsulin ® mag toedienen. Uw hond moet tweemaal per dag een vaste portie voer krijgen. Er is dieetvoer verkrijgbaar voor honden met suikerziekte; een vezelrijk dieet om schommelingen in het bloedsuiker te verminderen en een vezelrijk en caloriearm dieet om de hond ook te laten afvallen. Dit kan helpen de dosering Caninsulin ® te verminderen.

De hoeveelheid lichaamsbeweging speelt ook een rol in de behandeling. Het helpt de hond om af te vallen en is dus onderdeel van de therapie. Maar ook is het belangrijk om te weten dat beweging vraagt om extra brandstof. Dit beïnvloedt dus ook de hoeveelheid Caninsulin ® die de hond nodig heeft. Wanneer een hond dus plotseling meer beweegt kan het bloedsuikergehalte zoveel dalen dat er een tekort aan glucose ontstaat (‘hypo’). Verderop staat beschreven hoe u dit herkent en wat u dan moet doen.

Vooruitzichten
Over het algemeen kunnen honden met een regelmatig leefpatroon en met een juiste behandeling met Caninsulin ® een vrijwel normaal leven leiden. Het heeft dan ook bijna geen invloed op de levensverwachting van uw hond. Regelmatige controles blijven echter belangrijk.

In het geval van type 4 suikerziekte, wat ontstaat na de loopsheid, kan sterilisatie ervoor zorgen dat de suikerziekte weer verdwijnt. Wel moeten deze honden in de gaten worden gehouden, omdat er altijd een klein risico blijft dat de suikerziekte weer terug komt.

Te laag bloedsuikergehalte (‘hypo’)
Dit is de belangrijkste complicatie van de behandeling van suikerziekte. Het grootste risico is dat de hersenen te weinig glucose krijgen. Omdat glucose de enige brandstof is voor de hersenen is dit een levensbedreigende situatie! Het komt niet vaak voor, maar het is belangrijk dat u de verschijnselen herkent en dat u weet hoe u moet handelen. Een te laag bloedsuikergehalte kan op elk moment van de dag voorkomen, maar wordt met name 3 tot 7 uur na het geven van Caninsulin ® gezien.

De oorzaken zijn divers:

  • Minder voedselopname in combinatie met de gebruikelijke insulinedosering.
  • Verhoogd verbruik van glucose door een plotseling toename van de activiteit.
  • Een te hoge dosering insuline.
  • Een normale dosering insuline bij een afgenomen behoefte, bijvoorbeeld bij na sterilisatie in het geval van type 4 suikerziekte.

De verschijnselen zijn:

  • Hij krijgt honger op een onverwacht moment.
  • Uw hond wordt onrustig of juist sloom.
  • Hij gaat trillen of vreemde bewegingen maken, als omvallen of trappelen met de poten.
  • Uiteindelijk zal uw hond in diepe slaap vallen, waaruit hij moeilijk of niet meer wakker te maken is.

Allereerst moet ervoor worden gezorgd dat het bloedsuikergehalte zo snel mogelijk weer gaat stijgen. Zodra u de eerste verschijnselen merkt moet uw hond een maaltijd krijgen. Als hij echter niet meer in staat is om zelf te eten, moet u druivensuiker of een oplossing hiervan geven. Dit kunt u voorzichtig in de bek geven: het poeder kunt u op en onder de tong wrijven, de oplossing kunt u via de mondhoek in de wangzak gieten. De dosering is ongeveer 1 gram druivensuiker per kilogram lichaamsgewicht. Uw hond moet direct opknappen! Als dit niet gebeurt moet u contact opnemen met de (dienstdoende) dierenarts, dit is altijd een spoedgeval.

Als uw hond is opgeknapt moet u hem een maaltijd geven en daarna enkele uren goed in de gaten houden. Daarna moet u hem met regelmatige tussenpozen een maaltijd geven. Voordat u de volgende injectie geeft moet u contact opnemen met de dierenarts, om te overleggen hoeveel Caninsulin ® er moet worden toegediend. Verander nooit zelf de dosering Caninsulin ®.

Als laatste…
Wanneer uw hond suikerziekte heeft komt er veel informatie op u af. Daarom houden we samen met u een boekje bij waarin alles genoteerd wordt. Neem dit bij elke controle mee, zodat u alle informatie bij elkaar heeft. Daarnaast kunt u met vragen natuurlijk altijd bij ons terecht.