Konijn: Encephalitozoön cuniculi

Encephalitozoönose wordt veroorzaakt door de eencellige parasiet Encephalitozoön cuniculi. De parasiet dringt cellen binnen in het lichaam en plant zich voort ten koste van de cel. De parasiet komt wereldwijd voor bij verschillende diersoorten maar is het meest bekend als ziekteverwekker bij het konijn. Ongeveer 50-75% van de konijnen is besmet met de parasiet. Ook bij mensen kan E. cuniculi voorkomen en zorgt met name bij mensen met een onvoldoende werkend immuunsysteem voor problemen. Dit zijn ouderen, kinderen, zwangere vrouwen en mensen met bijvoorbeeld HIV of AIDS.

E. cuniculi kan op verschillende manieren worden overgedragen. Via de placenta kan de parasiet vanuit het moederdier de ongeboren foetus besmetten. Daarnaast wordt de parasiet via de urine in de omgeving verspreid waardoor dieren elkaar ook zonder direct contact kunnen besmetten. Nadat de parasiet via de darmen is opgenomen door het lichaam verspreidt deze zich met name naar de nieren, hersenen, ruggenmerg of ogen.

Nadat de parasiet zich in een lichaamscel heeft voortgeplant barst deze open. Hierop ontstaat een ontstekingsreactie. De vrijgekomen sporen besmetten omliggende cellen of worden in de urine uitgescheiden. In het weefsel ontstaan pushaarden die langere tijd aanwezig blijven en zo een chronische ontsteking veroorzaken. De sporen kunnen zich ook in een orgaan verbergen; dit heet een latente infectie. De parasiet blijft in het lichaam aanwezig zonder verschijnselen te veroorzaken. Bij momenten van stress kunnen de sporen weer vrijkomen en een acute ontsteking veroorzaken.


Verschijnselen
Afhankelijk van het betrokken orgaan kunnen de verschijnselen zeer divers zijn. Ook kunnen er meerdere organen betrokken zijn; in dat geval kunnen onderstaande verschijnselen gecombineerd optreden.

  • Evenwichtsstoornissen. Wanneer de hersenen zijn geïnfecteerd zien we vooral problemen met het evenwichtsorgaan. Het konijn heeft een scheve kop, een dronkemansgang (ataxie) en/of loopt rondjes. De ogen kunnen snel heen-en-weer gaan (nystagmus).
  • Slapte of verlamming van de achterhand. Slapte is soms lastig te beoordelen bij een konijn. Vaak valt dit niet op omdat een konijn gewoon stil blijft zitten. Wanneer de achterhand is verlamd ligt het konijn op de zij en kan het niet meer bewegen met de achterpoten. Doordat het konijn geen controle meer heeft over de blaasspieren kan hij incontinent worden.
  • Veel plassen en drinken. Wanneer de nieren zijn geïnfecteerd kan het konijn de urine niet meer goed concentreren. Het konijn plast veel en moet daardoor ook veel drinken. Soms valt alleen op dat de bodem van het konijnenhok natter is dan anders en vaker moet worden verschoond. De huid en vacht kunnen natter zijn en eventueel zelfs rood worden door irritatie van de urine. Dit laatste zien we ook vaak bij incontinentie.
  • Oogafwijkingen. Wanneer de ongeboren foetus wordt besmet kan de pupil wit zijn. Hier hoeft een konijn niet veel last van hebben. Het oog kan echter ook ontstoken raken wat zich uit in roodheid en knijpen met het oog. Soms is in het oog een wolkachtige verdikking zichtbaar.
  • Vermageren. Soms is vermageren het enige verschijnsel. Zeker wanneer er geen andere oorzaak kan worden gevonden moet gedacht worden aan een infectie met E. cuniculi.

Sommige konijnen laten duidelijke verschijnselen zien maar vaker zijn de verschijnselen minder zichtbaar. Als u één van de verschijnselen opmerkt of u twijfelt, maak dan gerust een afspraak ter controle.

Diagnose
Aan de hand van de verschijnselen kan een vermoedelijke diagnose worden gesteld. Een definitieve diagnose is helaas moeilijk tot niet vast te stellen bij het levende konijn. Alleen door middel van sectie op een overleden of ingeslapen konijn kan de diagnose met zekerheid worden gesteld.

Door middel van bloedonderzoek kunnen antilichamen tegen E. cuniculi worden aangetoond. Helaas worden deze antilichamen ook bij 50-60% van de konijnen zonder verschijnselen gevonden. Een positieve uitslag maakt dus geen onderscheid tussen een huidige besmetting met E. cuniculi of een besmetting in het verleden zonder dat deze de huidige verschijnselen veroorzaakt.

Omdat de sporen van de parasiet worden uitgescheiden in de urine kan urineonderzoek worden uitgevoerd. De sporen worden echter niet continu uitgescheiden. Een negatieve uitslag betekent dus niet dat E. cuniculi de verschijnselen niet veroorzaakt.

Behandeling
Wanneer er een vermoeden bestaat dat E. cuniculi de veroorzaker is van de verschijnselen kan medicatie worden ingezet. De parasiet zelf kan niet worden gedood maar de verspreiding in het lichaam en besmetting van de omgeving wordt wel verminderd.

Om de ontstekingsreactie in de organen te behandelen worden ontstekingsremmers voorgeschreven. Afhankelijk van de (ernst van de) klachten kunnen deze per injectie worden gegeven of kunt u de medicatie zelf geven via de bek. Bij een bijkomende bacteriële infectie worden ook antibiotica ingezet.

Naast medicatie is een goede verzorging belangrijk. Wanneer een konijn niet zelfstandig eet wordt dwangvoeding voorgeschreven. Daarnaast is een schone en droge vacht en omgeving belangrijk. Een konijn dat zichzelf niet kan verzorgen moet regelmatig worden gewassen en verschoond omdat het anders risico loopt op het ontstaan van myasis.

Preventie
Vaak leven konijnen met meerdere soortgenoten samen. Wanneer de andere konijnen verschijnselen vertonen worden deze ook behandeld. Het is belangrijk om de overdracht van de sporen tussen konijnen te verminderen. Hiervoor dient u het verblijf regelmatig te verschonen en goed te reinigen. Eventueel kan het verblijf worden gedesinfecteerd met bijvoorbeeld alcohol.

Het is niet bekend of preventief behandelen tegen E. cuniculi zinvol is. Daarnaast is de dosering van de medicatie voor dit doel niet bekend. Als laatste is niet bekend hoe vaak er moet worden behandeld. Aangezien stress een rol kan spelen is het wel verstandig dit zoveel mogelijk te beperken.