Epilepsie

Een epileptische aanval ontstaat in de hersenen en wordt veroorzaakt door een verstoring van de cellen (een soort kortsluiting). De oorzaak van een epileptische aanval kan echter binnen en buiten de hersenen liggen. Een dier kan éénmalig een aanval hebben maar het kan ook zijn dat uw dier vaker aanvallen heeft. In het laatste geval spreken we over epilepsie. Sommige vormen van epilepsie worden steeds erger (progressief) maar epilepsie kan ook stabiel zijn. De aanvallen worden ingedeeld in drie types:

  1. Primaire epilepsie. De oorzaak kan niet worden vastgesteld. De eerste aanval vind bijna altijd plaats tussen een 6 maanden en 5 jaar leeftijd. Vaak zijn dit klassieke aanvallen: uw dier is buiten bewustzijn en heeft spierkrampen over het gehele lichaam. Vooral tijdens de slaap krijgt uw dier epileptische aanvallen; het is dus niet gerelateerd aan inspanning of stress. Tussen de aanvallen zijn er geen andere verschijnselen die met de aanvallen verband houden.
  2. Secundaire epilepsie. De oorzaak kan wel worden vastgesteld en ligt binnen de hersenen. Er kan sprake zijn van trauma, ontsteking, een tumor of andere ziektes.
  3. Reactieve epilepsie. De oorzaak kan wel worden vastgesteld en ligt buiten de hersenen. Er kan sprake zijn van een vergiftiging, lever- of nieraandoeningen of andere ziektes. Ook extreme stress of emoties kunnen dit veroorzaken.

Verschijnselen
Een epileptische aanval bestaat uit vier fases: de prodrome, het aura, het ictus en de postictale fase. De prodrome is een fase waarin de aanval opkomt. Uw dier wordt onrustig, zoekt steun bij de baas of heeft ander afwijkend gedrag. Deze fase kan dagen tot uren duren. Het aura is een korte fase (seconden tot minuten) waarin het dier kan gaan klappertanden of rollen met de ogen. Tijdens de ictus vertoont uw dier gedurende enkele minuten één of meer van de volgende verschijnselen:

  • Bewustzijnsverlies. Uw dier raakt buiten bewustzijn en is niet meer aanspreekbaar. Bij sommige vormen blijft uw dier echter wel of gedeeltelijk bij bewustzijn. Houdt u er rekening mee dat dit voor het dier eng kan zijn: denk dus altijd ook om uw eigen veiligheid!
  • Spierkrampen. Tijdens een klassieke epileptische aanval krijgt uw dier spierkrampen. De poten strekken zich en de kop draait naar achteren. Soms stopt de ademhaling tijdelijk. Daarna gaan de spieren van de kop en poten samentrekken.
  • Incontinentie. Door verlies van controle over de spieren kan uw dier de urine of ontlasting laten lopen.
  • Kwijlen. Ook het speeksel wordt niet meer doorgeslikt, waardoor dit uit de bek loopt.
  • Vocalisatie. Soms gaat een dier janken, mauwen, blaffen of grommen.
1 - bewustzijnsverlies
2 - strekken
3 t/m 7 - spierkrampen
8 - postictale fase

De postictale fase is de fase waarin uw dier bijkomt van de aanval. Hij slaapt veel of is juist extreem rusteloos. Sommige dieren dwalen rond, zijn gedesoriënteerd, lijken blind of hebben tijdelijk geheugenverlies. Deze fase kan seconden tot dagen duren. Wanneer uw dier alle fases doorloopt heet dit een ‘grand mal’. Soms is de aanval heel kort en doorloopt niet duidelijk alle fases. Dit heet een ‘petit mal’.

De aanval kan zich ook beperken tot een deel van het lichaam (bijvoorbeeld alleen de voorpoot of het gezicht). Daarnaast bestaan er nog atypische vormen. Het kan zijn dat uw dier bijvoorbeeld gaat mauwen of blaffen, kwijlen of alleen even wegvalt. Zo’n aanval kan wel eindigen in een gegeneraliseerde aanval.

Verspreiding van prikkels door de hersenen: generalisatie van een aanval

Aanvallen kunnen ook clusteren. Dit betekent dat uw dier meerdere aanvallen achter elkaar heeft. Tussen de aanvallen is wel de postictale fase herkenbaar. Dit is zeer vermoeiend voor het dier. Als laatste kan een dier een ‘status epilepticus’ krijgen. Dit betekent dat uw dier meerdere aanvallen achter elkaar heeft, zonder een postictale fase. Dit is een levensbedreigende situatie!

Diagnose
Aan de hand van de verschijnselen kan vaak de diagnose ‘epileptische aanval’ worden gesteld. Bij twijfel kunt u de aanval filmen; dit helpt bij het stellen van de diagnose. Lichamelijk en aanvullend onderzoek is nodig om de eventuele oorzaak te vinden. Hierbij kunt u denken aan urineonderzoek, bloedonderzoek of een röntgenfoto. Eventueel wordt u verwezen naar een specialist voor bijvoorbeeld een echo, onderzoek van hersenvocht of een hersenscan.

fMRI: hersenactiviteit gemeten in een MRI-scan

Wanneer het een éénmalige aanval betreft moet u wel contact opnemen met uw dierenarts, maar het is niet altijd nodig om direct op consult te komen. Wanneer er meerdere aanvallen plaatsvinden is dit echter wel belangrijk, zeker als deze elkaar in korte tijd (uren of dagen) opvolgen.

Behandeling
Het ictus van een epileptische aanval kan beangstigend en frustrerend zijn. U wilt graag iets doen voor uw dier, maar het beste is om juist niets te doen. Probeer de omgeving van het dier vrij te maken van gevaarlijke objecten, maar pas op met uw dier zelf. In angst of door de spierkrampen kunt u gebeten worden. Laat uw dier in de postictale fase zelf bepalen wat hij wilt: zoekt hij steun bij u of wilt hij juist met rust gelaten worden? Neem daarna contact op met uw dierenarts.

De behandeling van epilepsie verschilt per type. Wanneer de oorzaak bekend is moet deze worden behandeld. Afhankelijk van het effect van die behandeling wordt bepaald of de epilepsie ook behandeld moet worden. Over het algemeen wordt een behandeling gestart als uw dier vaker dan 1 keer per 8 tot 12 weken een aanval heeft. Een andere reden om de behandeling te starten is wanneer uw dier zichzelf tijdens een aanval grote schade toebrengt.

Het doel van de behandeling is niet het voorkomen van een aanval. Dit is namelijk zeer zelden mogelijk. Er wordt wel gestreefd naar het verlengen van de periode tussen de aanvallen, het milder maken van de ictus, het milder maken van de postictale fase en het voorkomen van clusteren en/of een status epilepticus. Vooral de postictale fase wordt door eigenaren als vervelend beschouwd, omdat een dier langere tijd afwijkend gedrag kan vertonen. Het bijhouden van een logboek maakt het beoordelen van het effect een stuk makkelijker. In het logboek kunt u de datum en het tijdstip van de aanval noteren, de intensiteit ervan, eventuele bijzonderheden voor de aanval (afwijkend gedrag, een autorit en dergelijke) en de gegeven medicatie.

Er bestaan verschillende medicijnen tegen epilepsie: fenobarbital, fenytoïne en kaliumbromide. Vaak wordt ervoor gekozen om met fenobarbital te starten. Het is een middel dat al jaren met veel succes wordt gebruikt bij honden en katten. De dosis wordt aan de hand van het effect en de medicijnspiegel in het bloed aangepast. Het duurt 2 tot 3 weken voordat in het lichaam een constante medicijnspiegel is bereikt; het effect is dus pas vanaf dan goed te beoordelen.

Een nadeel van fenobarbital is dat uw dier er suf van kan worden. Daarnaast kan uw dier meer gaan drinken en plassen en kan de eetlust toenemen. Dit effect verdwijnt meestal na enkele dagen. Wanneer dit niet het geval is kan de dosering worden aangepast of wordt ervoor gekozen uw dier op fenytoïne over te zetten. Kaliumbromide kan helpen de dosering van fenobarbital te verlagen en zo de bijwerkingen te verminderen. Een ander nadeel van fenobarbital is dat het bij langdurig gebruik de kans op leverschade vergroot. Daarom is het belangrijk regelmatig de leverwaarden te controleren door middel van bloedonderzoek. Dit kan bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse vaccinatie worden uitgevoerd.

Sinds kort is er een nieuw medicijn tegen epilepsie beschikbaar voor honden: Pexion ®. Dit medicijn is binnen een paar dagen effectief en heeft minder bijwerkingen. Dit medicijn heeft dus de voorkeur, tenzij uw dier met succes al langere tijd op eerdergenoemde medicijnen staat. Wanneer eerdergenoemde medicijnen  onvoldoende werken of wanneer uw dier last heeft van bijwerkingen kan Pexion ® wel worden ingezet. De wisseling van medicijnen wordt door uw dierenarts begeleid zodat dit op een veilige en verantwoorde manier gebeurt.

Tijdens clusteren of een status epilepticus is andere medicatie nodig. Diazepam zorgt voor ontspanning en kan een aanval dus afbreken. Het kan als injectie gegeven worden door uw dierenarts, maar het bestaat ook in de vorm van een gel (Stesolid ®). Deze gel kunt u thuis rectaal geven door de tube leeg te knijpen nadat u de canule in de anus heeft ingebracht. Vanuit het rectum wordt diazepam direct opgenomen in het bloed zodat ontspanning optreedt. Neem daarna altijd contact op met uw dierenarts!

Prognose
Een dier met epilepsie kan in de meeste gevallen een normaal leven leiden. Maar soms is het moeilijk of zelfs onmogelijk om de aanvallen onder controle te krijgen. De prognose hangt af van een aantal factoren:

  • Is er een onderliggende oorzaak bekend en is deze te behandelen?
  • Wat is het effect van de medicatie?
  • Heeft uw dier last van bijwerkingen?

In het beginstadium van de behandeling is regelmatig controle en overleg nodig. Pas na minstens 2 tot 3 weken kan de behandeling worden beoordeeld. Hou dus goed contact met uw dierenarts en meld eventuele bijzonderheden!